Mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW) maakt zich zorgen over de regels rond het archiveren van foto’s en video’s die socialemediaplatforms verwijderen. Een deel van dat materiaal zou volgens HRW van pas kunnen komen in onderzoek naar oorlogsmisdaden.

Beeldmateriaal dat volgens YouTube, Facebook en Twitter geweld verheerlijkt, of terreur of extreem geweld laat zien, worden door algoritmes snel verwijderd. Vaak nog voordat iemand het te zien krijgt.

Omdat er bijna geen menselijk oog aan de verwijdering van het materiaal te pas komt, is de organisatie bang dat potentieel bewijs van oorlogsmisdaden ongezien blijft.

Niet beschikbaar voor journalisten en wetenschap

“Een deel van de inhoud die Facebook, YouTube en andere platforms verwijderen, heeft een cruciale en onvervangbare waarde als bewijs van wreedheden op het gebied van mensenrechten”, zegt Belkis Wille, hoofd crisis- en conflictonderzoek bij Human Rights Watch.

Het verwijderde materiaal wordt volgens de organisatie niet altijd goed gearchiveerd, en wat er nog wel is, is dan alleen maar beschikbaar voor juridische instanties. En dus niet voor internationale wetenschappers, onderzoekers en journalisten, stelt HRW.

HRW zegt in een rapport dat er geen bewijs is gevonden dat de platforms ooit beeldmateriaal aan onafhankelijke maatschappelijke instellingen of journalisten beschikbaar heeft gesteld. Het rapport heet Video niet beschikbaar – Sociale Mediaplatforms Verwijderen Bewijs van Oorlogsmisdaden.

Onafhankelijke partij

De mensenrechtenorganisatie stelt een transparant systeem voor, waarin de platforms beeldmateriaal met mogelijk oorlogsmisdaden bij een onafhankelijke derde partij onder kunnen brengen. Dat systeem zou dan toegankelijk moeten zijn voor onderzoekers, justitie en andere belanghebbenden.

Daarnaast vindt HRW dat sociale media moeten voorkomen dat hun verwijderingssystemen te breed of te bevooroordeeld zijn ingesteld en moeten gebruikers in beroep kunnen gaan tegen verwijdering.

NOS Tech